Hondenslager Hondenslager

In veel kerken (rond 1700) was iemand voor de ondankbare taak van hondenslager aangesteld. De hondenslager kon wekelijks rekenen op tien stuivers, hij werd betaald door de Kerkvoogdij en de Diaconie. Op het platteland was het vaak de taak van de schoolmeester om de kerk op zondag vrij te houden van honden en ander ongedierte. Hij hoefde niet zelf met de zweep bij de deur te staan. Dat ging ook niet omdat hij vaak de voorzanger of, in de negentiende eeuw, organist van de kerk was. Hij was wel verantwoordelijk voor wat er in de kerk gebeurde. In de kerk van Nieuw Scheemda hangt naast de preekstoel nog zo’n lange zweep. Tot in de negentiende eeuw was hondenslager een gebruikelijk beroep. Niet alleen kerken kenden een persoon die de honden weg moest jagen maar ook stedelijke overheden hadden vaak een hondenslager in dienst. De hondenslager ....... moest er niet alleen voor zorgen dat honden de dienst niet zouden verstoren maar hij be- waakte ook de orde onder de jeugd die de kerkdienst bezocht. De jongeren zaten namelijk tijdens de dienst niet bij hun ouders maar bij elkaar en hielden zich dan niet altijd even rustig. Waren de jongens en meisjes te lastig dan kregen ze met de zweep ervan langs of werden in een hok opgesloten. Zelfs in de jaren zestig van de twintigste eeuw was er in het Zeeuwse Tholen nog steeds een dergelijk figuur als “stokman” actief. Hij had tot taak de jeugd onder controle te houden. Gelukkig werd de zweep niet meer gebruikt. Tot in de negentiende eeuw kwam het beroep van hondenslager voor. Later komt voor de honden-slager een andere naam z.g. geestelijk deur- wachter en nog later wordt hij koster genoemd. De functieomschrijving die bij het beroep van koster hoorde, was dermate uitgebreid dat hij mogelijk een werkweek had van 60 uur of meer. Er zijn nu nog weinig kerkelijke gemeenten die een kos- ter gedeeltelijk of volledige in dienst heb- ben.

Veel kosterstaken worden nu door vrijwilligers gedaan zoals ook bij ons in Steggerda en Noordwolde.
 

terug