de Paaskaars de Paaskaars

Hoewel er gemeenten zijn waar men de Rooms-Katholieke of de Oudkatholieke traditie volgt, heeft de Paaskaars in protestantse kerken over het algemeen bijna de functie van Godslamp gekregen: teken van de aanwezigheid van de Levende Heer. Zij brandt dan ook het hele jaar door. Dat houdt o.m. in dat de Paaskaars altijd al brandt als de gemeente binnenkomt. Aan de Paaskaars worden alle andere kaarsen (bijvoorbeeld de Bijbelkaarsen op de avondmaalstafel, het licht dat meegaat naar de kindernevendienst, de doopkaarsen) aangestoken. Na afloop van de dienst wordt de kaars gedoofd. De Paaskaars wordt met Pasen (of in de paasnacht) voor het eerst ontstoken en door een diaken de kerk binnengedragen. De kaars symboliseert het licht van de verrezen Christus, die volgens het christendom het kwaad of het duister heeft overwonnen. Het is een grote kaars, versierd met het kruis en het jaartal.
De Griekse letters alfa en omega kunnen ook op de kaars zijn aangebracht. Dit kan per jaar verschillen. De Paaskaars staat gewoonlijk bij de doopvont. In een uitvaartdienst staat de Paaskaars bij de kist. Het doven van de Paaskaars op Goede Vrijdag wordt gezien als teken van het sterven van Christus. Het ligt voor de hand dat de kaars op Goede Vrijdag na de lezing over het sterven van Jezus wordt gedoofd.  Het doven van de Paaskaars heeft een sterk dramatisch effect. Wellicht geldt dat hoe menselijker men Jezus ziet, des te groter de behoefte is de kaars te doven op Goede Vrijdag om daarmee te benadrukken dat Jezus de weg is gegaan van alle mensen. 

 

Op Goede Vrijdag:


Ook al sterft Jezus aan een kruis,
zijn levenslicht zal niet doven,
maar elders nog heerlijker stralen.
 


Als teken daarvan
brengen wij het licht van de Paaskaars
nu over naar een kaars onder het kruis.
 



Die kaars zal blijven branden
ook als de Paaskaars wordt gedoofd.
 

 
 

terug